|
|
Hier vindt u alle binnengekomen pers- en andere berichten:
DE OCHTENDEN - EO
22 april 2004
Het is strafbaar als je de holocaust ontkent. En iemand die zegt dat er in Rwanda
geen volkerenmoord plaatsvond, diskwalificeert zichzelf. Maar als het gaat over de genocide die zich in Turkije
voltrok, wordt het opeens wat stil. Deze week worden overal in de wereld demonstraties gehouden voor erkenning
van de Turkse genocide op de Armeniërs, Assyriërs en Grieken, nu bijna een eeuw geleden. Wij spraken
anderhalf jaar geleden twee zeer oude dames die als kleine meisjes de volkerenmoord overleefden. We laten u opnieuw
fragmenten horen uit gesprekken met de Assyrische Saida Sjaamoon en de Armeense Haiganoesj Mardikjan.
Turkse genocide op de Armeniërs, Assyriërs en Grieken
Vergeten volkerenmoord herdacht
Het is strafbaar als je de holocaust ontkent. En iemand die zegt dat er in Rwanda geen volkerenmoord plaatsvond,
diskwalificeert zichzelf. Maar als het gaat over de genocide die zich in Turkije voltrok, wordt het opeens wat
stil.
Eind april worden overal in de wereld demonstraties gehouden voor erkenning van de Turkse genocide op de Armeniërs,
Assyriërs en Grieken, nu bijna een eeuw geleden.
?
De Turken hebben tot nog toe de volkerenmoord op de christelijke minderheden altijd ontkend, de Turkse schoolboeken
zwijgen erover. Op 21 april protesteerden bijna alle buitenlandwoordvoerders van de Nederlandse politiek hiertegen,
in een Armeense demonstratie in Den Haag.
?
Maar ondertussen houden Turks-Nederlandse parlementariërs zich aan de oppervlakte. We belden ze alle vier
en kregen bij drie (CDA, PvdA) nul op het request. De vierde had het te druk. ‘De genocide erkennen is niet aan
de orde want het zit niet in mijn portefeuille’, was bij de drie de boodschap.
?
Arie Oostlander, Europarlementarier namens het CDA, gaat er werk van maken. Hij houdt zich met het onderwerp bezig,
zeker nu Turkije dit jaar een toetredingsdatum verwacht van de Europese Unie. Een gesprek met hem, voorafgegaan
door twee zeer oude dames. Als kleine meisjes overleefden ze de volkerenmoord. We laten u opnieuw fragmenten horen
uit gesprekken van anderhalf jaar geleden met de Assyrische Saida Sjamoon en de Armeense
Haiganusj Kordikoglu Mardikian.
De uitzending is te beluisteren op:
http://www.eo.nl/portals/programs/
^Terug^
Art. Auschwitzbulletin jrg.5,nr. 17, 2004
Ton Zwaan, Center for Holocaust and Genocidestudies, University of Amsterdam. Plus: Published in: Auschwitz Bulletin
2000 (uitgave Stichting Auschwitz, België), jrg. 5, nr. 17, 2004.
De 'vergeten' genocide. De massamoorden op de Armeniërs in
het Ottomaans-Turkse Rijk
Ton Zwaan
In 1915 en 1916, ten tijde van de Eerste Wereldoorlog, zijn naar beredeneerde schatting tussen de achthonderdduizend
en ruim een miljoen Armeniërs - mannen, vrouwen en kinderen - in het Ottomaans-Turkse Rijk om het leven gekomen
ten gevolge van een tegen hen gerichte genocide. Hoewel het woord 'genocide' destijds nog niet bestond, kan zonder
meer gesteld worden dat de centraal georganiseerde vervolging en vernietiging van de Armeniërs de eerste grote
genocide van de 20e eeuw is geweest. Overigens had de Armeense minderheid in het Ottomaanse Rijk ook al voor die
jaren te kampen gehad met grootschalig moorddadig geweld. Tussen 1894 en 1896 waren bij een reeks pogroms in het
gehele rijk honderd- tot honderdvijftigduizend Armeniërs vermoord; bij een massaslachting in 1909 in en nabij
de stad Adana in het zuidoosten van Turkije naar schatting tien- tot twintigduizend. En ook tussen 1917 en 1922
zijn tijdens episoden van vervolging nog vele tienduizenden om het leven gebracht. Al bij al zijn tussen 1894 en
1922 waarschijnlijk anderhalf miljoen Armeniërs door genocidale activiteiten omgekomen. Gerekend tegen een
totale Armeense bevolking van een kleine tweeënhalf miljoen mensen betekent dat dat destijds zo'n 60% van
alle Armeniërs in het rijk zijn omgebracht.
Deze gegevens over de vervolging en vernietiging van de Armeniërs waren in West-Europa en de Verenigde Staten
omstreeks 1920 algemeen bekend. Vanaf de latere 19e eeuw had in het Westen een aanzienlijke publieke belangstelling
voor het lot van de in grote meerderheid christelijke Armeniërs bestaan. Tijdens en kort na de 'grote oorlog'
waren in vele Westerse landen ook steuncomité's opgericht die geld inzamelden voor Armeense vluchtelingen
en de kranten, de voornaamste massa-media van die tijd, hadden veel en uitvoerig geschreven over wat toen het 'Armeense
vraagstuk' heette. Maar in de jaren '20 luwde de belangstelling. Aanvankelijk werden zowel in Turkije zelf als
vanuit internationaal verband pogingen ondernomen de voornaamste verantwoordelijken voor de genocide te berechten
maar deze inspanningen liepen al spoedig op niets uit. Daarnaast zette met de vestiging van de nieuwe Turkse republiek
in 1922-1923 vanuit de Turkse overheid een politiek van systematische ontkenning van het gebeurde in. Aan de kant
van de zwaar getroffen Armeense vluchtelingendiaspora, verspreid over vele landen, ontbrak het lang aan mogelijkheden
en middelen om meer aandacht te vragen voor hun verschrikkelijke lot. En in Europa zelf pakten zich in de jaren
'20 en '30 de donkere wolken samen van een volgende oorlog en een volgende catastrofale genocide. Aan de vooravond
van die oorlog kon Adolf Hitler, toen hij zijn generaals voorbereidde op de nietsontziende aanval op Polen in september
1939, al retorisch uitroepen: 'Wer redet heute noch von der Vernichtung der Armenier?' In de periode na de Tweede
Wereldoorlog was de Armeense genocide praktisch verdwenen uit de collectieve publieke herinnering in het Westen
en niet ten onrechte is deze volkerenmoord daarom soms wel aangeduid als 'de vergeten genocide'. Pas in de laatste
decennia is er sprake van een hernieuwde historische bewustwording van de Armeense catastrofe en is in ruimere
kring, onder andere in de Verenigde Staten en in enkele Europese landen, een publieke en politieke erkenning op
gang gekomen. Hoewel dit proces van erkenning hier en daar nog steeds op soms aanzienlijke weerstanden stuit, kan
de Armeense genocide tegenwoordig zeker niet meer als 'vergeten'gelden.
^Terug^
In het korte bestek van deze bijdrage kan niet uitvoerig ingegaan worden op het ontstaan,
de ontwikkeling en de gevolgen van de genocide (de geïnteresseerde lezer zij daarvoor verwezen naar de literatuur),
maar wel kan beknopt aandacht besteed worden aan het regime dat de vervolging van de Armeniërs verordonneerde
en aan enkele aspecten van het verloop van de genocide.
Het besluit over te gaan tot een nagenoeg complete collectieve vervolging en vernietiging van de Armeniërs
in het Ottomaans-Turkse rijk, is waarschijnlijk eind 1914, begin 1915 genomen door het driemanschap dat destijds
op het niveau van de centrale staat de politieke en militaire leiding had over het rijk. Deze drie leiders waren
Talaat, minister van binnenlandse zaken; Enver Pasja, generaal en minister van oorlog; en Djemal Pasja, generaal,
minister van marine, en militair gouverneur van Syrië, dat toen nog een provincie van het Ottomaanse rijk
was. Behalve minister van binnenlandse zaken was Talaat ook de voornaamste leider van de politieke beweging Ittihad
ve Terakki, letterlijk vertaald 'Comité voor Eenheid en Vooruitgang', in het Westen beter bekend als de
'Jong-Turkse beweging'.
Deze politieke beweging, waarvan de historische wortels terugreikten tot in de laatste decennia van de 19e eeuw,
had een doorslaggevende rol gespeeld in de twee revolutionaire staatsgrepen van 1908 en 1909 die een eind hadden
gemaakt aan het regime van Sultan Abdul Hamid, die van 1876 tot 1908 als laatste in een eeuwenlange reeks van sultans
als autocratisch alleenheerser het Ottomaanse rijk had geregeerd. Aanvankelijk leek het erop dat de Jong-Turkse
beweging erin zou kunnen slagen de steun te verwerven van de meerderheid van de voornaamste bevolkingsgroepen binnen
het rijk, dat naast uiteenlopende groepen van Turkse herkomst, ook grote aantallen Arabieren, Koerden, Grieken
en Armeniërs herbergde, en nog tal van andere kleinere etnisch-cultureel verschillende minderheden omvatte.
Met behulp van die steun had de nieuwe regering dan misschien het hoofd kunnen bieden aan de diepgaande crisis
waarin het rijk zich al lang bevond, de Ottomaanse staat kunnen hervormen in democratische richting en meer economische
ontwikkeling op gang kunnen brengen. Maar het liep anders. Het Jong-Turkse regime werd tussen 1909 en 1913 geconfronteerd
met een serie ernstige internationale tegenslagen: diplomatiek, militair en politiek moesten vernederende verliezen
geïncasseerd worden. De Eerste Balkanoorlog van 1912 leidde niet alleen tot het verlies van vrijwel alle nog
resterende gebieden in Europa maar ook bijna tot de bezetting van de hoofdstad Istanbul wat de definitieve ondergang
van het rijk had kunnen betekenen. Temidden van die crisis pleegde het driemanschap, als vertegenwoordigers van
de meest radicale vleugel binnen de Ittihad, begin 1913 een bloedige staatsgreep en vestigde in feite een dictatoriaal
regime. Hoewel zij al langer bestaande spanningen en tegenstellingen tussen islamieten en christenen (en joden)
binnen het rijk politiek behendig uitbuitten, waren zij zelf slechts islamieten in naam. Hun denken werd vooral
getekend door een militaire visie en door extreem Turks etnisch nationalisme. De allesoverheersende doelen werden
behoud en zo mogelijk territoriale uitbreiding van de Ottomaanse staat, en omvorming van de Ottomaanse samenleving
tot een verondersteld homogene Turkse maatschappij. Vooral de Armeniërs, maar ook de Grieken en kleinere christelijke
minderheden, zoals de Assyriërs, werden het directe slachtoffer van deze politiek en ideologie. Wat later
leidde dezelfde politiek overigens ook tot verwijdering ten opzichte van de Arabieren en, op termijn, eveneens
ten opzichte van de Koerden.
Het radicaal nationalistische denken en handelen van het Ittihad-regime ten tijde van de Eerste Wereldoorlog kan
tot op zekere hoogte beschouwd worden als de uitkomst van een lang proces. Het grote Ottomaans-Turkse islamitische
imperium, dat zich op zijn hoogtepunt in de 16e en 17e eeuw uitstrekte van Noord-Afrika via het Arabisch schiereiland,
het gehele Midden-Oosten en Anatolië, tot ver over de Balkan in Europa, had in de 18e en 19e eeuw een steeds
verdergaand en steeds sneller verlopend machtsverlies geleden. Aan de ene kant werd het extern geconfronteerd met
toenemende druk vanuit andere machtige staten, vooral de Russische en Oostenrijks-Hongaarse imperia, maar ook Engeland
en Frankrijk, en later ook Duitsland en Italië. Aan de andere kant kreeg het rijk vooral in de 19e eeuw intern
te maken met opstandige bewegingen van overwegend christelijke bevolkingsgroepen die er met steun van buitenaf
keer op keer in slaagden, zij het meestal niet zonder bloedige militaire strijd, eigen onafhankelijke staten te
vestigen binnen het oude imperiële territorium, zoals bijvoorbeeld Griekenland, Servië, Bulgarije, en
Roemenië. Door deze dubbele beweging kalfde het imperium territoriaal steeds verder af en slonken de Ottomaans-Turkse
macht en invloed navenant. In de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw waren opeenvolgende Turkse politieke en
militaire elites zich scherp bewust van deze ontwikkeling en voelden ze zich daardoor ook ernstig bedreigd, maar
tevens waren ze, mede door gebrek aan effectieve interne hervormingen, niet bij machte de teloorgang van het rijk
te stoppen. In dat licht is het wellicht niet zo verwonderlijk dat het Ittihad-regime dat in 1913 de macht greep
extreem nationalistisch georiënteerd was.
In de vroege zomer van 1914 sloot het regime een geheim verdrag met het Duitse keizerrijk. Duitsland had zich in
de voorgaande decennia in internationaal verband al vaker opgeworpen als beschermheer van het Ottomaanse rijk,
had aanzienlijke economische belangen in het rijk, en hoopte in geval van oorlog op Ottomaanse militaire druk op
Rusland. Het destijds zeer kwetsbare Turkse rijk op haar beurt trachtte op deze manier internationaal isolement
te vermijden en Duitse militaire bijstand te krijgen, die ook inderdaad werd verleend. Bovendien hoopte het Ittihad
-regime eerder verloren gegane territoria terug te winnen en de droom te realiseren van een groot Pan-Turks rijk
dat zich vanuit Anatolië naar het noord-oosten zou kunnen uitstrekken tot ver in Centraal-Azië. Eind
oktober 1914 bevond het Ottomaanse rijk zich in oorlog met Rusland, Engeland en Frankrijk.
Militair gezien verliep de oorlog voor het rijk direct nogal desastreus. In het zuiden van Irak, destijds nog een
Ottomaanse provincie, landde al in november een uit India afkomstig Engels koloniaal leger dat de mondingen van
de Eufraat en de Tigris bezette en oprukte naar Basra. Een Turks-Duitse veldtocht vanuit de Ottomaanse provincie
Palestina naar het door de Britten beheerste Suez-kanaal mislukte volledig. Een andere Turkse veldtocht in het
noord-oosten van Anatolië, gericht op een doorsteek naar Transkaukasië tegen Rusland liep in de winterse
bergen tussen Ottomaans- en Russisch-Armenië op een enorme catastrofe uit: van het 120.000 man tellende leger
onder commando van generaal Enver ging in minder dan een week 80.000 man verloren, mede door de militaire inzet
van Russisch-Armeense troepen.
Het is niet uitgesloten dat in deze constellatie van omstandigheden de directe aanleiding tot het besluit de Armeniërs
te vernietigen was gelegen. Aan de ene kant bevond het regime zich op het toppunt van zijn macht: door de oorlogssituatie
behoefde het zich niet te verantwoorden tegenover buitenlandse grootmachten zoals Engeland, Frankrijk en Rusland
die zich voorheen wel eens als beschermers van de Armeniërs hadden opgesteld, en binnenslands heerste de staat
van beleg waardoor het regime vrijwel onbeperkte beslissingsmacht genoot. Aan de andere kant verliepen de oorlogshandelingen
ongunstig voor het Turkse rijk en had Rusland herhaaldelijk de 'bevrijding van Armenië' publiekelijk als oorlogsdoel
genoemd. Dit gevoegd bij een al veel langer levend diep wantrouwen tegenover de christelijke Armeense minderheid,
die juist vanaf het laatste kwart van de 19e eeuw een opmerkelijke culturele, economische en politieke 'renaissance'
doormaakte en daardoor ook jaloezie opwekte bij minder fortuinlijke bevolkingsgroepen, kan aan het besluit van
het driemanschap bijgedragen hebben. Dat laat uiteraard onverlet dat hun besluit, dat in feite neerkwam op een
collectieve ter dood veroordeling van een grote groep onschuldige mensen die geen enkele bedreiging vormde voor
het voortbestaan van het rijk, tevens getuigde van een paranoïde mentaliteit. De Armeense bevolkingsgroep
werd zo het slachtoffer van een kolossale en krankzinnige misdadigheid.
^Terug^
Bij de vervolging van de Armeniërs waren de vervolgers er allereerst op uit het meest weerbare deel van de
Armeense bevolkingsgroep uit te schakelen. In februari en maart 1915 werden de naar schatting 150 à 200.000
Armeense officieren en soldaten in het Ottomaanse leger ontwapend, geplaatst in zogenaamde 'arbeidsbataljons',
en onder zeer slechte omstandigheden aan zware dwangarbeid onderworpen ten behoeve van fortificaties, militair
transport en het onderhoud van wegen. Decimering door uithongering, mishandeling, en regelrechte massamoorden door
Turkse legereenheden en Koerdische hulptroepen bepaalden verder het lot van deze grote groep Armeense mannen. Al
spoedig begonnen geruchten te circuleren in het rijk dat een algemene massamoord op alle Armeniërs ophanden
was. In de nacht van 24 april 1915 en in de daaropvolgende dagen werden vele honderden leidende Armeniërs
- politici, journalisten, zakenlieden, kunstenaars en intellectuelen - in de hoofdstad Istanbul in een zorgvuldig
gecoördineerde actie opgepakt, per trein afgevoerd, en kort daarop vrijwel allemaal vermoord. (Tegenwoordig
geldt daarom 24 april wereldwijd als herdenkingsdag van de Armeense genocide.)
Met deze twee grote acties was als het ware de ruggengraat van de Armeense bevolkingsgroep gebroken.
In de daaropvolgende weken en maanden kwam over het gehele rijk - met uitzondering van Istanbul en Smyrna (Izmir)
- een reusachtige deportatiebeweging op gang. Hoewel de meeste Armeniërs in de zes oostelijke provincies (vilayets)
van Anatolië leefden, woonden grote groepen van hen verspreid over het hele territorium. Overal werden zij
nu door gendarmes en soldaten gedwongen hun woonplaatsen te verlaten, bijeengedreven, en veelal te voet, soms gedeeltelijk
per trein, collectief op transport gesteld naar verafgelegen bestemmingen in de Zuid-Ottomaanse provincies (het
tegenwoordige Syrië en Irak): Aleppo, Rakka, Deir-el-Zor, Mosul en zelfs Baghdad. Nagenoeg alle bezittingen
dienden te worden achtergelaten, als reden kreeg men vaak te horen dat het ging om 'evacuatie' in verband met de
oorlogsomstandigheden, om 'hervestiging' of om noodzakelijke 'kolonisering van nieuwe gebieden'. De oorlogssituatie
diende zowel als dekmantel, bood de mogelijkheid, en vormde de ultieme rechtvaardiging voor de genocide.
De gedeporteerden wachtte vrijwel zonder uitzondering een gruwelijk lot. Plotseling verdreven van hun woon- en
werkplaatsen, vaak al gescheiden van (mannelijke) verwanten, zonder geschikte uitrusting en zonder voldoende levensmiddelen
waren de gedeporteerden nagenoeg weerloos. Ze vielen ten slachtoffer aan honger en dorst, aan het directe geweld
van bewakers, of van in hinderlaag liggende troepen of criminele bendes - die speciaal voor dit doel gerecruteerd
waren uit gevangenissen - en aan de andere zware omstandigheden waaronder de deportaties plaatsvonden. Uit verzamelingen
ooggetuigeverslagen en diplomatieke correspondentie blijken talloze gevallen van zware mishandeling en moord op
grote groepen, van verkrachting en seksuele verminking van vrouwen en meisjes, van levend begraven worden in zelf
gedolven graven, van collectieve verbranding, ophanging en massale verdrinking. Velen stierven ook door uithongering,
verdorsting, uitputting en ziekten in geïmproviseerde concentratiekampen langs de routes. Soms kregen jonge
vrouwen en kinderen de gelegenheid over te gaan tot de Islam en zo te ontsnappen aan een zekere dood, in andere
gevallen werden zij ook wel verkocht als slaven.
Naar schatting zijn tussen de 1,2 en 1,4 miljoen Armeniërs in de deportaties betrokken geraakt, van wie waarschijnlijk
driekwart het niet heeft overleefd. De genocidale vervolging van de Armeniërs heeft zich dus vooral voltrokken
door dodelijke massale deportaties onder extreem slechte omstandigheden en door gerichte massamoorden, ook op degenen
die na de weken- en soms maandenlange tochten uiteindelijk nog aankwamen bij de plaatsen van bestemming. Een groot
deel van het Ottomaanse bestuurs- en staatsapparaat en van de regionale en plaatselijke Ittihad- organisatie was
rechtstreeks betrokken bij de organisatie en uitvoering van de genocide. Dat geldt ook voor sommige delen van de
plaatselijke Turkse, Koerdische en Arabische bevolkingsgroepen, al zijn er ook voorbeelden van individuele Turkse
bestuurders, van Koerdische en Arabische families die juist hulp boden aan de vervolgden.
Er bestaan opvallende structurele overeenkomsten tussen de vervolging van de Armeniërs in het Ottomaanse rijk
en de vervolging van de Joden in Europa enkele decennia later. Er zijn echter ook enkele belangrijke verschillen.
Eén van die verschillen betreft de erkenning, herinnering en verwerking van de verschrikkingen. Waar de
moord op de Joden nu vrijwel algemeen erkend en herdacht wordt, wat zeker, voorzover mogelijk, ook bijdraagt aan
verwerking, wordt de moord op de Armeniërs ook tegenwoordig nog politiek ten dele ontkend. Dat is allereerst
pijnlijk voor de huidige generatie van de Armeense nabestaanden overal ter wereld en vormt een rem op verdere verwerking
van de genocide. Maar de actieve en krampachtig volgehouden ontkenningspolitiek van de Turkse overheid is ook in
toenemende mate schadelijk voor de Turkse staat en samenleving en voor de toekomst van de democratie in Turkije,
straks wellicht lid van de Europese Unie. Het valt te hopen dat het groeiend aantal historici en intellectuelen
in Turkije dat de historische gebeurtenissen van de genocide erkend op afzienbare termijn meer publieke steun krijgt
van democratisch georiënteerde Turkse politici. Dat zou de weg kunnen openen naar een realistische aanvaarding
van het tragische verleden van bijna een eeuw geleden en daarmee de kans kunnen vergroten op een zeker wenselijke
en noodzakelijke verzoening tussen toekomstige generaties van alle betrokken bevolkingsgroepen. Wie het verleden
ontkent, blijft erin gevangen, maar wie het verleden erkent en herdenkt, kan zich er ook van bevrijden.
^Terug^
Literatuur
Taner Akçam, Armenien und der Volkermord: Die Istanbuler Prozesse und die türkische Nationalbewegung,
(Hamburg: Hamburger Edition, 1996).
Vahakn N. Dadrian, The History of the Armenian Genocide, (Providence/Oxford: Berghahn Books, 1997).
Richard G. Hovannisian (ed.), Remembrance and Denial. The Case of the Armenian Genocide, (Detroit: Wayne State
U.P., 1999).
Robert Melson, Revolution and Genocide: On the Origins of the Armenian Genocide and the Holocaust, (Chicago: University
of Chicago Press, 1992).
Ronald Suny, 'Religion, Ethnicity, and Nationalism: Armenians, Turks, and the End of the Ottoman Empire', in: Omer
Bartov, Phyllis Mack (eds.), In God's Name. Genocide and Religion in the Twentieth Century, (NY/Oxford: Berghahn
Books, 2001), pp. 23-61.
Ton Zwaan, 'De vervolging van de Armeniërs in het Ottomaans-Turkse rijk, 1894-1922', in: idem, Civilisering
en decivilisering. Studies over staatsvorming en geweld, nationalisme en vervolging, (Amsterdam: Boom, 2001), pp.
198-258.
Het Financieele Dagblad
22 april 2004
Turkije weigert petitie Armeense genocide
DEN HAAG — De Federatie van Armeense Organisaties in Nederland (Faon) heeft woensdag de Nederlandse regering in
een petitie opgeroepen de genocide op 1,5 miljoen Armeniërs in 1915 in Turkije te erkennen. De Turkse ambassade
in Den Haag weigerde een petitie met een soortgelijke strekking in ontvangst te nemen. Faon wil dat Turkije de
genocide erkent, voordat er wordt onderhandeld over toetreding tot de EU. De organisatie wil ook de Nederlandse
regering deze voorwaarde overneemt. In de petitie spreekt de Faon van een ‘vergeten genocide’. De volkenmoord is
wel door een aantal andere EU-landen erkend, maar nog niet door Nederland dat zich profileert als ‘juridische hoofdstad’
van de wereld. Enkele honderden betogers verzamelden zich voor het Tweede-Kamergebouw om de petitie kracht bij
te zetten.
^Terug^
-ANP 21-4-2004
‘Nederland moet Armeense genocide erkennen’
Tweede Kamer
DEN HAAG (ANP) - De Federatie van Armeense Organisaties in Nederland heeft woensdag de Tweede Kamer opgeroepen
de genocide op honderddduizenden Armeniërs in Turkije te erkennen. Ook Turkije zelf zou deze misdaad die in
1915 begon, moeten erkennen voordat er sprake kan zijn van toetredingsonderhandelingen tot de Europese Unie.
In een petitie die de organisatie aan enkele Kamerleden aanbood, sprak de organisatie van een “vergeten genocide”.
De massamoord is al wel door enkele andere EU-landen erkend, maar nog niet door Nederland dat zich profileert als
‘juridische hoofdstad’ van de wereld.
Het Tweede-Kamerlid Dijksma (PvdA), voorzitter van de vaste commissie voor Europese Zaken, nam de petitie in ontvangst
en verzekerde het document nauwkeurig te lezen en te bespreken gezien het EU-voorzitterschap van Nederland later
dit jaar. Dan zullen met Turkije afspraken gemaakt worden over een datum om de onderhandelingen over toetreding
te beginnen. De Federatie van Armeense Organisaties wil dat de erkenning van de genocide door het land een voorwaarde
is voordat wordt onderhandeld. Zij vraagt de Nederlandse regering deze voorwaarde over te nemen.
SP-Kamerlid Van Bommel zei dat het belangrijk was dit ‘gevoelige onderwerp’ op de politieke agenda te zetten. “De
Nederlandse regering neemt de woorden genocide, erkenning en Armenië, nooit tegelijk in de mond. Dit is een
goed moment om dat te veranderen.”
^Terug^
Nederlands Dagblad 21 april 2004
'Armeense genocide erkennen'
DEN HAAG - De Federatie van Armeense Organisaties in Nederland heeft woensdag de Tweede Kamer opgeroepen de genocide
op honderddduizenden Armeniërs in Turkije te erkennen.
Ook Turkije zelf zou deze misdaad die in 1915 begon, moeten erkennen voordat er sprake kan zijn van toetredingsonderhandelingen
tot de Europese Unie. In een petitie die de organisatie aan enkele Kamerleden aanbood, sprak de organisatie van
een ,,vergeten genocide''. De massamoord is al wel door enkele andere EU-landen erkend, maar nog niet door Nederland
dat zich profileert als 'juridische hoofdstad' van de wereld. Het Tweede-Kamerlid Dijksma (PvdA), voorzitter van
de vaste commissie voor Europese Zaken, nam de petitie in ontvangst en verzekerde het document nauwkeurig te lezen
en te bespreken gezien het EU-voorzitterschap van Nederland later dit jaar.
Dan zullen met Turkije afspraken gemaakt worden over een datum om de
onderhandelingen over toetreding te beginnen. De Federatie van Armeense Organisaties wil dat de erkenning van de
genocide door het land een voorwaarde is voordat wordt onderhandeld. Zij vraagt de Nederlandse regering deze voorwaarde
over te nemen. SP-Kamerlid Van Bommel zei dat het belangrijk was dit 'gevoelige onderwerp' op de politieke agenda
te zetten. ,,De Nederlandse regering neemt de woorden genocide, erkenning en Armenië, nooit tegelijk in de
mond.
Dit is een goed moment om dat te veranderen.'' Tientallen demonstranten verzamelden zich voor het Tweede-Kamergebouw
om de petitie kracht bij te zetten.
^Terug^
24 April Comité 20-4-2004
24 april Comité
voor erkenning en herdenking van de Armeense genocide 1915
Het 24 april Comité is een orgaan van de Federatie van Armeense Organisaties in Nederland (FAON)
P E R S B E R I C H T
Demonstratie 21 april in Den Haag
Op 21 april 2004 organiseert het 24 april comité van de Armeense Federatie een demonstratie in Den Haag.
Daarbij wordt een petitie aangeboden aan de Vaste Commissie voor Europese Zaken van de Tweede Kamer, Mw Dijksma
en aan de Nederlandse regering. Ook wordt een brief overhandigd op de Turkse ambassade. Verschillende sprekers
waaronder de Tweede Kamerleden
Harry van Bommel (SP), Farah Karimi (GL), Bert Koenders (PvdA), Tineke Huizinga-Heringa
(ChristenUnie) en Kathleen Ferrier (CDA) zullen op het Plein de demonstratie toespreken.
De demonstratie begint om 12.00 uur op het Plein te Den Haag. De petitie wordt om 12.30 uur aangeboden aan de Tweede
Kamer. Nadat de verschillende sprekers aan het woord zijn geweest wordt in optocht richting Malieveld gelopen ,
waarna door een Armeense delegatie een brief wordt overhandigd op de Turkse ambassade. De demonstratie eindigt
op het Malieveld.
De demonstratie vindt plaats in het kader van de naderende EU- top in december 2004, waarin onder Nederlands voorzitterschap
wordt besloten over eventuele toetredingsonderhandelingen met Turkije. Doel van de demonstratie is de meningsvorming
en de bekendheid rond de Armeense Genocide van 1915 in relatie tot mogelijke toetreding van Turkije bij de Nederlandse
overheid en het Nederlandse publiek onder de aandacht te brengen. Turkije ontkent deze genocide en het onderwerp
is in Turkije niet bespreekbaar. Deze opstelling past niet in de Kopenhagen-criteria , waaraan Turkije moet voldoen
om voor toetreding in aanmerking te komen. Zonder dat Turkije de genocide van 1915 op 1,5 miljoen Armeniërs
erkent, kan er van een start van toetredingsonderhandelingen geen sprake zijn. Dit is de boodschap van het 24 april
comité.
In de loop van het jaar volgen (tot aan de Europese Raad van 17 december in Brussel) meerdere activiteiten van
verschillende aard, over dit onderwerp.
De jaarlijkse plechtige herdenking van de Armeense genocide vindt op 24 april a.s.
vanaf 13.00 uur plaats op begraafplaats de Boskamp in Assen bij de Armeense gedenksteen Na een kranslegging en
plechtigheid met een Armeense geestelijke, wordt een bijeenkomst gehouden in de aula van de begraafplaats. Hierbij
zullen o.a. Freek de Jonge en Paul Scheffer , alsmede de ambassadeur van Armenië in de Benelux, het woord
voeren.
^Terug^
NRC 15 april 2004
Turkije moet schuld voor Armeense genocide erkennen
'Zolang Turkije de Armeense genocide niet erkent, behoort het niet tot Europa', vindt Peter
van Ham
Het is wonderlijk hoe selectief ons historisch besef is. Terwijl de jodenvervolging een prominente plaats in de
Westerse geschiedenisboeken inneemt, zijn andere massamoorden gladweg vergeten. En hoe langer geleden en verder
weg de genocide werd gepleegd, hoe zwakker de emotionele echo wordt. Dit geldt ook voor de Turkse genocide op de
Armeense bevolking die in 1915 ruim één miljoen burgers het leven heeft gekost en die de volgende
week overal terwereld wordt herdacht.
Opeenvolgende Turkse regeringen hebben geweigerd deze zwarte bladzijde in haar geschiedenis onder ogen te zien.
Maar nu Turkije waarschijnlijk volgend jaar begint met toetredingsonderhandelingen met de Europese Unie, wordt
het de hoogste tijd dat Ankara de moedwillige en systematische uitroeiing van de Armeense bevolking door het Turkse
leger erkent. Wie lid wil worden van de EU moet--analoog aan het Duitse mea maxima culpa na de Tweede Wereldoorlog-eerlijk
met het eigen verleden omgaan. De EU is immers ook een waardengemeenschap, en daar horen landen die een genocide
verloochenen niet bij.
Gedurende de periode 1915-18 heeft het Turkse leger bijna alle Armeense dorpen binnen het Ottomaanse Rijk geëvacueerd
en honderdduizenden burgers vermoord of via barbaarse hongermarsen van West-Turkije naar Syrië gedeporteerd.
Deze gebeurtenissen zijn zeer goed gedocumenteerd en hoewel enige onenigheid bestaat over het exacte aantal slachtoffers,
staat één ding vast: dit was de eerste genocide van de twintigste eeuw die bovendien tot voorbeeld
heeft gediend voor Hitler's holocaust. De nazi's konden immers uit de lauwe reactie van het Westen op de Armeense
genocide opmaken dat ook zij met de vernietiging van de joden konden wegkomen als dat maar zorgvuldig buiten de
aandacht van de internationale media kon worden gehouden.
Het gaat er hier niet om oude koeien uit de sloot te halen. Maar wanneer Turkije over een aantal jaren volwaardig
lid wordt van de EU, wordt Armenië ons directe buurland. De Armeens-Turkse betrekkingen zijn echter nog steeds
zeer slecht, met name omdat deze historische angel er nog nooit is uitgehaald. De regering in Jerevan eist dat
Turkije de genocide als historisch feit erkent. Zij wordt daarin gesteund door verschillende Europese parlementen.
Zo hebben onder meer de Franse, Belgische, Griekse en Zwitserse parlementen geëist dat Ankara de volkerenmoord
moet toegeven; ook het Europees Parlement heeft al in 1987 verklaard dat Ankara's weigering de historische gebeurtenissen
te erkennen een belemmering vormt voor het Turkse EU-lidmaatschap. Ook Paus Johannes Paulus II heeft Turkije tot
deze stap opgeroepen. Het Amerikaanse Congres besloot in 2000, na een heftig debat, uiteindelijk de Armeense genocide
niet tot een belangrijk discussiepunt met Ankara te verheffen met name omdat Turkije dreigde met sluiting van de
Amerikaanse militaire bases op haar grondgebied.
Nederland kent een zeer kleine Armeense gemeenschap, waardoor het vraagstuk vooralsnog niet op de politieke agenda
is beland. Minister van Buitenlandse Zaken Bot weigerde in een kamerdebat van afgelopen december de kwestie van
de Armeense genocide als relevant feit te erkennen. Dit is niet alleen verwonderlijk, maar tevens onverstandig.
Hoe zouden wij het vinden wanneer het hedendaagse Duitsland de holocaust zou afdoen als historisch onjuist en irrelevant?
Er zijn voorbeelden waaruit blijkt dat alleen het erkennen van de historische waarheid kan leiden tot politieke
toenadering en zelfs hernieuwd vertrouwen tussen landen. Te denken valt aan het conflict over de massamoorden in
Katyn. Pas in 1990 heeft de Russische regering erkent dat het Sovjetleger de 4400 Poolse officieren heeft vermoord,
en niet-zoals lang door Moskou werd beweerd-de nazi's hebben gedaan. Ook de Kroatische regering heeft vorige maand
een begin gemaakt om de eigen geschiedenis in alle eerlijkheid te beoordelen. Het initiatief van premier Ivo Sanader
om de misdaden van de Kroatische Ustase tijdens de Tweede Wereldoorlog te onderzoeken en te erkennen, passen in
zijn streven om binnen afzienbare tijd tot de EU toe te treden. Dit voorbeeld zou door Turkije moeten worden gevolgd.
Het heikele punt is immers dat het proces van Europese eenwording staat of valt bij wederzijds politiek vertrouwen
en solidariteit. De EU is niet een tijdelijk samenwerkingsverband, maar een opzet voor een nieuwe politieke entiteit.
Zonder saamhorigheidsgevoel en oprechtheid heeft de EU geen toekomst. Dit is het grote verschil tussen Europa en
andere continenten. Aangezien Japan nooit heeft erkend dat het in Korea en China tijdens WO II de grootste gruweldaden
heeft begaan, blijft elke vorm van samenwerking oppervlakkig. Wanneer Turkije deel wil uitmaken van Europa zal
het lering moeten trekken uit de voorbeelden van Duitsland en Japan. Alleen wanneer Ankara ondubbelzinnig de historische
feiten onder ogen ziet kan sprake zijn van werkelijke "Europeanisering". Dit betekent dat de Armeense
genocide in de Turkse geschiedenisboekjes moet komen, waardoor er eindelijk een einde komt aan het Ottomaanse denkbeeld
dat Turkije op de een of andere manier superieur is aan de buurlanden.
Dr. P. van Ham is plaatsvervangend hoofd onderzoek van het Instituut Clingendael.
|
© April 24 Committee - The Hague april 2004
|
|